Onderzoek · 22 september 2026
Amsterdam-onderzoek naar seks na puberteitsremmers: de koppen zeggen "geen problemen", de cijfers zeggen iets anders
Op 17 juni 2025 publiceerde een onderzoeksteam van Amsterdam UMC in The Journal of Sexual Medicine een studie naar de seksuele tevredenheid en disfunctie van transgender volwassenen die als tiener puberteitsremmers kregen. De persberichten die volgden waren geruststellend: "puberty blockers do not cause problems with sexual functioning", kopte Medical Xpress. Wie de cijfers in de studie zelf naast die kop legt, ziet een ander beeld.
Wat er werd onderzocht
Het onderzoeksteam — Isabelle S. van der Meulen, Marijn Arnoldussen, Anna I.R. van der Miesen, Sabine E. Hannema, Thomas D. Steensma, Annelou L.C. de Vries en Baudewijntje P.C. Kreukels, stuk voor stuk verbonden aan de kliniek die het Dutch Protocol ontwikkelde — benaderde 145 mensen die tussen 1998 en 2011 als adolescent puberteitsremmers hadden gekregen bij Amsterdam UMC (destijds VUmc). Uiteindelijk deden 70 mensen mee: 50 transmannen en 20 transvrouwen, met een gemiddelde leeftijd van 29,1 jaar op het moment van onderzoek. De puberteitsremmers waren gemiddeld op 14,8-jarige leeftijd gestart, en de gemiddelde follow-up bedroeg 14,3 jaar — dit is dus niet een korte-termijnstudie, maar juist een van de langst lopende Nederlandse cohorten op dit gebied.
De cijfers achter de geruststellende kop
Van de transmannen rapporteerde 58% ten minste één vorm van seksuele disfunctie, meestal moeite met het initiëren van seksueel contact (34%). Bij transvrouwen was dat 50%, meestal in de vorm van moeite met een orgasme (35%). Tevredenheid met het seksleven werd gerapporteerd door 52% van de transmannen en 40% van de transvrouwen. Vertaald: bij de transvrouwen was minder dan de helft tevreden, en bij de transmannen was dat net iets meer dan de helft — geen van beide cijfers ondersteunt de suggestie dat er simpelweg "geen problemen" zijn. Opvallend is bovendien het leeftijdseffect dat in de meeste samenvattingen wegvalt: onder transmannen die vroeg met puberteitsremmers begonnen, meldde 67% een seksueel probleem, tegen 56% van wie later begon.
Het probleem van de non-respons
Van de 145 benaderde deelnemers deden er 70 mee — een respons van 48%. Zo'n uitval is op zichzelf niet ongebruikelijk in langetermijnonderzoek, maar het maakt de uitkomst wel onzeker in een richting die zelden wordt benoemd: mensen met een moeizaam seksleven kunnen zich vaker hebben teruggetrokken uit gêne, of juist vaker hebben meegedaan omdat ze iets kwijt wilden. Beide scenario's zijn denkbaar, en beide betekenen dat de werkelijke cijfers voor de hele groep van 145 kunnen afwijken van wat deze 70 respondenten lieten zien. Een studie die dat expliciet als beperking benoemt, is eerlijker dan een persbericht dat de bijsluiter weglaat.
Een patroon dat vaker terugkeert
Dit is niet de eerste keer dat de duiding van Nederlands genderzorgonderzoek voorloopt op wat de data eigenlijk dragen: eerder schreven wij al over hoe de Gezondheidsraad de Nederlandse transgenderzorg "zorgvuldig" noemde terwijl het onderliggende bewijs dun blijft. Ook het probleem van kleine, uitgedunde steekproeven is geen incident: dutchprotocol.nl zet op een rij hoe steekproefgrootte en uitval al decennialang de Achilleshiel vormen van de Nederlandse cohortstudies waarop het internationale beleid is gebouwd.
Onze duiding
De onderzoekers zelf zijn in het artikel transparant over hun cijfers en de beperkingen van hun opzet — er is geen controlegroep van mensen met genderdysforie die geen puberteitsremmers kregen, dus een oorzakelijk verband tussen puberteitsremmers en seksuele disfunctie is met deze studie niet te bewijzen, en ook niet te weerleggen. Het probleem zit in de vertaalslag naar het publiek: een studie waarin bij de ene groep bijna twee derde en bij de andere groep de helft van de deelnemers een seksueel probleem meldt, wordt in de pers samengevat als "geen problemen". Voor wie in Nederland een intake overweegt en zich oriënteert op de risico's van hormoonbehandeling en chirurgie die deze gids per ingreep op een rij zet, is precies dit soort verschil tussen brontekst en berichtgeving relevant: informed consent begint bij het lezen van de cijfers zelf, niet bij de samenvatting ervan.
Bronnen:
Isabelle S. van der Meulen, Marijn Arnoldussen, Anna I.R. van der Miesen, Sabine E. Hannema, Thomas D. Steensma, Annelou L.C. de Vries, Baudewijntje P.C. Kreukels, "Sexual satisfaction and dysfunction in transgender adults following puberty suppression treatment during adolescence", The Journal of Sexual Medicine, Vol. 22, Issue 8 (augustus 2025), p. 1493–1503.
"Puberty blockers do not cause problems with sexual functioning in transgender adults, study finds", Medical Xpress, 18 juni 2025.

Edward Jansen
Redactie
Veelgestelde vragen
Bewijst dit onderzoek dat puberteitsremmers het seksleven schaden?
Nee. De studie heeft geen controlegroep van mensen met genderdysforie die geen puberteitsremmers kregen, dus oorzaak en gevolg zijn niet vast te stellen. Wat wel vaststaat: een meerderheid van de deelnemers rapporteerde ten minste één seksueel probleem, en minder dan twee derde van de transmannen en minder dan de helft van de transvrouwen was daadwerkelijk tevreden met hun seksleven — cijfers die niet overeenkomen met koppen als "geen problemen".
Waarom is het lage aantal deelnemers (70 van de 145) een probleem?
Van de oorspronkelijke groep van 145 mensen deden er uiteindelijk 70 mee, een respons van 48%. Bij zulk laag bereik is niet te zeggen of de non-respondenten juist tevredener of juist ontevredener zijn dan wie wel meedeed — de ware uitkomst voor de hele groep kan dus in beide richtingen afwijken van wat de studie rapporteert.
Hadden vroege en late starters met puberteitsremmers dezelfde uitkomsten?
Nee. Onder transmannen rapporteerde 67% van wie vroeg met puberteitsremmers begon een seksueel probleem, tegenover 56% van de late starters. Dat verschil naar leeftijd bij start kwam in de geruststellende persberichten niet terug.