Op 17 juli 2026 publiceerde JAMA Network Open een grote Amerikaanse cohortstudie over de mentale gezondheid van jongeren die puberteitsremmers gebruiken. De studie werd in de Amerikaanse media breed opgepikt met koppen die concludeerden dat puberteitsremmers stemmingsstoornissen en suïcidaliteit bij transgender jongeren verminderen. Wie verder leest dan de samenvatting, stuit op een reeks beperkingen die de onderzoekers zelf benoemen — en die de stelligheid van de koppen niet dragen.
Wat de studie deed
De onderzoekers gebruikten landelijke Amerikaanse verzekeringsclaims van januari 2016 tot januari 2025 en bouwden een cohort van 231.783 jongeren tussen de 10 en 17 jaar, verdeeld in vier groepen: 1.260 transgender jongeren met puberteitsremmers, 78.111 cisgender jongeren met puberteitsremmers (veelal voorgeschreven om andere medische redenen), 40.212 transgender jongeren zonder puberteitsremmers en 112.200 cisgender jongeren zonder puberteitsremmers.
De hoofduitkomst
Binnen de groep transgender jongeren was het gebruik van puberteitsremmers geassocieerd met een sterk verlaagde kans op een diagnose stemmingsstoornis (aangepaste oddsratio 0,52) en op suïcidale gedachten of gedrag (aangepaste oddsratio 0,20), vergeleken met transgender jongeren die geen puberteitsremmers kregen. Ter vergelijking: transgender jongeren als groep hadden sowieso 4,42 keer meer kans op stemmingsstoornissen en 12,21 keer meer kans op suïcidaliteit dan cisgender jongeren — een uitgangspositie die op zichzelf al veel verklaart over waarom deze groep intensiever in beeld is bij hulpverleners.
Wat de onderzoekers zelf toegeven
De methodologische kanttekeningen staan er niet voor niets. De auteurs erkennen dat ze geen onderscheid konden maken tussen jongeren op basis van toegang tot zorg of steun vanuit het gezin — twee factoren die zowel de kans op een voorschrift puberteitsremmers als de mentale uitkomst zelf sterk kunnen beïnvloeden. Verzekeringsclaims registreren bovendien geen tijdsvolgorde die oorzaak en gevolg kan onderscheiden: het is met deze data niet vast te stellen of puberteitsremmers de uitkomst verbeterden, of dat vooral jongeren die toch al in een gunstiger uitgangspositie zaten — met meer steun, minder comorbiditeit, stabielere thuissituatie — de remmers kregen voorgeschreven.
Verder ontbreekt elke correctie voor psychosociale ondersteuning die naast de medicatie liep, zoals begeleiding door een psycholoog. Zulke begeleiding is op zichzelf een goed onderbouwde manier om suïcidaliteit te verminderen, wat het onmogelijk maakt om het effect toe te schrijven aan de puberteitsremmers specifiek. Ten slotte ontbreken bij 28% van de patiëntjaren gegevens, en is de definitie van "puberteitsremmer" in de dataset heterogeen genoeg om verkeerde indeling van patiënten niet uit te sluiten.
Waarom dit meer is dan een technisch detail
Een associatie tussen twee variabelen zegt niets over de richting van het verband zolang selectie-effecten niet zijn uitgesloten. Dat is precies waarom de Cass Review in Engeland en vergelijkbare evaluaties in Zweden en Finland tot voorzichtigheid maanden: observationele studies met dit soort ontwerp — zonder controlegroep die op relevante kenmerken vergelijkbaar is gemaakt, zonder placebocontrole voor verwachtingseffecten, zonder tijdsvolgorde — kunnen suggestieve patronen laten zien, maar geen oorzakelijk verband aantonen. De onderzoekers van deze JAMA-studie erkennen dat probleem expliciet in hun eigen artikel; de berichtgeving errond deed dat een stuk minder. Hoe gevoelig de uitkomst is voor zulke keuzes blijkt ook uit een vergelijkbare Amerikaanse studie waarin dezelfde onderliggende dataset tot twee tegengestelde conclusies leidde, afhankelijk van de analysekeuzes van de onderzoekers.
Bron
Bewerking van: Mental Health of Youths Who Use Puberty Blockers, JAMA Network Open, gepubliceerd 17 juli 2026.

Edward Jansen
Redactie
Veelgestelde vragen
Wat vond de JAMA-studie precies?
Onder transgender jongeren was het gebruik van puberteitsremmers geassocieerd met een lagere kans op een diagnose stemmingsstoornis (aangepaste oddsratio 0,52) en op suïcidale gedachten of gedrag (aangepaste oddsratio 0,20), vergeleken met transgender jongeren zonder puberteitsremmers.
Welke beperkingen noemen de onderzoekers zelf?
Ze konden niet corrigeren voor verschillen in zorgtoegang of gezinssteun, konden geen tijdsvolgorde tussen behandeling en uitkomst vaststellen, hielden geen rekening met gelijktijdige psychosociale begeleiding, en misten gegevens over 28% van de patiëntjaren.
Betekent dit dat puberteitsremmers geen effect hebben op mentale gezondheid?
Dat zegt de studie niet. Ze laat wél zien dat een associatie in verzekeringsdata, zonder gecontroleerde vergelijking, geen oorzakelijk verband kan bewijzen — de onderzoekers erkennen dat zelf, ook al suggereerden de koppen in de media meer zekerheid dan de data toelaten.