Spijt na transitie
Het gangbare cijfer "minder dan 1% spijt" komt uit kleine oudere studies bij streng geselecteerde, volwassen patiënten. Bij de huidige, veel grotere en jongere populatie ligt het beeld anders — en gemiddelde follow-up is te kort om definitieve uitspraken te doen.
Wat de oude cijfers zeggen
- Wiepjes 2018 (Amsterdam, 6.793 patiënten): regret rate genoemd op 0,6%, maar gebaseerd op zelden geuite spijt en hoge loss-to-follow-up.
- Pfäfflin 1993 en Lawrence 2003 rapporteren vergelijkbare lage percentages bij oudere, strenger gescreende cohorten.
Wat de nieuwere data laten zien
- Littman 2021 (online survey, n=100 detransitioners): 55% voelde zich onvoldoende geëvalueerd vóór behandeling.
- Vandenbussche 2022 (n=237): mediane tijd tot detransitie 10 jaar.
- Hall 2021 (UK clinic): 6,9% van patiënten uitte spijt of stopte behandeling.
- Boyd 2022 (US claims, jonge volwassenen): hogere discontinueringspercentages dan eerder gedacht.
Risicofactoren voor spijt
- Co-morbide psychische problematiek niet behandeld vóór transitie (autisme, trauma, depressie, eetstoornis).
- Korte tijd tussen self-identificatie en medische start.
- Sociale invloed van peer-groepen, internet, late-onset dysforie.
- Druk om snel verder te kunnen ('affirmative care' zonder dieper psychiatrisch onderzoek).
Onderzoeksbeperkingen
Cohorten verliezen vaak meer dan een derde aan follow-up. Spijt wordt ondergerapporteerd: wie spijt heeft mijdt vaak de oorspronkelijke kliniek. Cass Review (2024) noemt dit hiaat expliciet.
Wat de nieuwere cohorten anders maakt
De oudere cohorten (Wiepjes 2018, Pfäfflin 1993) bestonden uit volwassenen met laat-ontstane dysforie na lang diagnostisch traject (gemiddeld 5–7 jaar). Sinds 2010 is het patiëntenprofiel dramatisch veranderd: meer jongvolwassen vrouwen, meer adolescente meisjes, kortere wachttijden, meer affirmatieve trajecten, meer comorbiditeit (autisme, eetstoornis, trauma — Littman 2018, Biggs 2022). De Cass Review (2024) en SBU (2022) wijzen erop dat spijtcijfers uit oude cohorten niet toepasbaar zijn op deze nieuwe populatie. Hall (2021) en Boyd (2022) tonen voor jongvolwassenen percentages van 6–13% in 4–8 jaar follow-up — twintig tot dertig keer hoger dan het vaak-geciteerde "<1%". Klinieken die nog steeds Wiepjes 2018 als spijtcijfer presenteren aan adolescente patiënten, geven misleidende informatie.
Wat informed consent hier vereist
Levine (2022) noemt informed consent zonder leeftijds-specifieke spijtcijfers feitelijk onvolledig. De norm voor onomkeerbare medische interventies vraagt dat de patiënt vooraf weet: spijt komt vaak laat (mediaan 10 jaar — Vandenbussche 2022), is geassocieerd met onbehandelde comorbiditeit en korte diagnostische trajecten, en geldt voor adolescenten en jongvolwassenen aanzienlijk hoger dan voor de oudere cohorten. Een kliniek die spijt presenteert als zeldzaamheid zonder context, voldoet niet aan deze norm. De Cass Review pleit voor langetermijn-registratie van uitkomsten — wat in Nederland gebrekkig is. Vraag schriftelijk: welke leeftijds-specifieke spijt- en detransitie-cijfers heeft deze kliniek over de afgelopen tien jaar?
Veelgestelde vragen
Ja. Cohorten met start onder 25 jaar tonen 5–13% binnen 4–8 jaar. Oudere starters hebben in Wiepjes 2018 lagere cijfers, maar follow-up was beperkt.
Vandenbussche (2022): mediane tijd tot detransitie 10 jaar; Littman (2021): mediaan 7 jaar. Veel huidige patiënten zijn nog niet in dat tijdsbestek.
Langer diagnostisch traject, behandeling van comorbiditeit voor medische start, stabiele dysforie over meerdere jaren, en realistische verwachtingen over uitkomsten van hormonen en chirurgie.
Lees verder
- Risico: detransitie
- Gids VII: Diagnoseprocedure
Littman (2021): Archives of Sexual Behavior
Cass Review: cass.independent-review.uk